Marijke

Straatluuper


Ik ben Marijke.
Ik woon samen met mijn collega’s.
Wij zijn vier meiskes.
Rita, Marina, Mieke en ik natuurlijk.
Dat zijn mijn collega’s.
Ik woon op mijn eigen kamer.

Ze moeten niet komen moeien in ons huishouden. Die vent van het onderhoud kwam een keer moeien. Ons komen controleren op ons eten! En op ons geld! Op onze drank en op onze boter. Die steekt onze boter in de diepvries! Wie doet dat nu! “Gij hebt te veel in huis” zegt die. Wij weten wel wat wij doen. Wij kopen reserve voor als onze beleidster in congé is. Wij hebben dat op de lijst geschreven. Ik ging mij oppakken en weglopen. Ik ging alles ingepakt hebben en vertrokken. Mijn radio… nee mijn twéé radio’s! Mijn TV, mijn oplader en mijn GSM. Mijn bedde en mijn kasse en mijn kleren. En mij een nieuw huizeke zoeken voor mij alleen. Wij honger lijden zeker! En dorst! Mijn collega Rita die moet veel drinken voor haar niersteen. Rita zegt: “Laat het zo! Door de vingers kijken.” Ik pak dat niet. Sorry! Ik laat niet door mijn vingers zien.

Ons controleren op ons eten en drinken. Wij geen eten en geen drinken meer zeker! Als ze ons dat afpakken, dan gaan wij verhongeren. Die vent maakt ons huishouden kapot. Ze moeten uitscheiden met ons controleren op ons geld en ons eten en ons huishouden. Mijn ma zegt het ook. Ik ga ten onder gaan anders.

Als ze niet willen luisteren, dan moet ik op tafel kloppen. Dat helpt maar niet altijd! Ik heb tegen ulle gezeid: “Als ge niet naar mij wil luisteren, loop ik hier weg.” En ze wéten waarom. Dan ben ik vrij. Gaan vliegen gelijk een vogel. Ik wil overal gaan waar ik wil. Als ik hier altijd in mijn huis moet blijven, loop ik de muren op. Ik moet weg. Ik pak mij een bus. “Voorzichtig zijn!”, zeggen ze dan. Ei, ik ga geen domme stoten uithalen. Ik weet wat ik doe. Daarbij, ik ken mijn baan. En als ’t straat open ligt en ik te laat thuis ben, kan ík daar niet aan doen. Als ze mij kwaad krijgen, ben ik vies. Dan zeg ik tegen mijn eigen: “Kom, ik ben hier schampavie! Ze kunnen wachten tot ik wil terug thuis komen. Ik pak mijn sjakossen allemaal mee, mijn gevaarlijke brieven (geld), en mijn GSM.


Waar ik woon, zeggen ze “niet met uw GSM spelen gij!” Ik bel niet altijd véél met mijn gsm. Ze moeten mij dat toe laten. Ik bel niet heel de tijd. D’r zijn veel meer jonge gasten die met hun gsm spelen dan ik. Ik heb dat nodig. Ze wéten dat mijn ma in paniek vliegt, als ze mij niet kan bereiken. Ze heeft schrik dat ik iets tegen kom. Of als zij iets tegen komt, en ik daar niets van weet. Dan is ze in paniek. Mijn moeder is zo. Dat is een oud vrouwtje geworden!

Ze kan rap achteruit gaan en die zie mij gaarne.
Wat moet ik dan doen als er mijn ma iets overkomt?


Als ik in paniek vlieg, bel ik zelf naar andere straatluupers.
Dat is van mijn soort. Die begrijpen mij.
Ik bel heel mijn telefoonboek af tot ik iemand te pakken krijg.
Ik ken heel mijn boek van buiten.
Die boek heeft al veel meegemaakt.

Daarbij nog: mijn gedacht ís mijn gedacht. Vroeg of laat moeten ze toch luisteren. Als ik verdriet heb, ga ik op mijn lappen. Eens die café binnen vliegen. En eens in die andere.

Ik heb één stamcafé. Dat is bij Henk. In ’t stad van Gent. Daar zit mijn vriend Beagle. Die zie mij graag. Die staat altijd achter mij.


Roets is ook een straatluuper. En Elisabeth ook.
Ik moet langs komen bij Roets voor haar en die katte.
Anders kan Roets niet slapen, als ik niet langs geweest ben.
Liggen piekeren in ons bed. Dat doen straatluupers ook.

Ik moet langs komen bij Roets voor haar en die katte.
Anders kan Roets niet slapen.
Liggen piekeren in ons bed.
Dat doet wij ook.

Daarbij, die katte van Roets had geen manieren.
Ik ben mit van haar poes Furie.
Die heeft op de stoof gezeten en haar staart is kapot gebrand.
En haar oren zijn ook afgebrand.

Die katte van Roets is niet minder waard.
Omdat haar oren en staart kapot zijn zekers?!
Maar die moederpoes is niet meer naar huis gekomen.
Dus moet ik dat jong opkweken.
Ik moet die nu nog altijd manieren leren.
Die katte heeft deugnietogen, gelijk Roets.
Nu leer ik haar dat af van heel de mat kapot te scharten.
En de katers naar hier te lokken.
Heel de nacht Roets wakker houden zeker.
Ik heb het tegen Roets gezeid: “Dat dat manneke later eens terug komt. Furie is nog veel te jong achter haar uurs. Nog niet volwassen.”
Ze is nooit geleerd, dat kattebeest. Nooit.
Ik moet haar altijd voort manieren leren.

Accessibility