Marc

Nieuwe dromen van verschil
Marc Callebaut.

Niemand is gelijk, iedereen heeft verschillende gedachten en wensen.
Iedereen moet voor zijn eigen leven uitkomen.

Mensen kunnen verschillende dromen hebben.
Mijn wensen kunnen anders zijn dan die van iemand anders.
Iedereen heeft verschillende gedachten.
Ieder zijn verhaal is anders.
Niemand is gelijk.
Iedereen moet voor zijn eigen leven en verhaal uitkomen.

Onze Nieuwe Toekomst

Ludo is voorzitter en ik ben ondervoorzitter van Onze Nieuwe Toekomst. Ludo en ik zijn twee handen op één buik.
We bellen elkaar vaak om te vragen hoe het is.
We hebben veel steun aan elkaar.
Ludo zegt dat het beter is nu ik ondervoorzitter ben van ONT.
Met mij kan hij beter praten.

Ik ga naar ‘Onze Nieuwe Toekomst’ om te ontspannen, om op mijn gemak te zijn.
Vroeger waren er meer vergaderingen, dat was beter.
Ik ga graag eens een weekend weg met de collega’s van ONT.
Dan zijt ge eens buiten.
Het doet me goed voelen in mijn vel, om een keer te kunnen praten. Als ik weg ben met ONT, denk ik minder aan mijn mama.

Ik zou graag hebben dat de mensen van ONT eens naar Aalst komen.
om mijn huis eens te zien. Ik heb Ludo zijn huis ook al eens gezien, dus hij mag ook eens bij mij komen hé. Ik ga dat eens voorstellen!

Mijn werk

Ik sta elke dag op om 7u. Om 8u vertrek ik naar mijn werk.
Ik begin om half 9 te werken in een beschutte werkplaats.
Ik ga met de fiets, dus ik ben nog wat te vroeg maar als ik later vertrek, dan ben ik te laat en dat is niet goed. Ik doe altijd alles met de fiets.
De BW krijgt werk van bvb Tupperware en van andere. Ik heb al vanalles gedaan (thermossen, suikerpotten). Afwisseling van het werk in de BW is beter. Maar de werkdruk blijft hoog of je aan de band werkt of aan een tafel.
Ik vind dat de werkdruk te hoog ligt.
Ze jagen de mensen op en dan krijg je stress.
Mensen die met de bus naar huis gaan, kunnen rusten, maar ik niet want ik ga met de fiets en dan kom je thuis en ben je doodmoe en kan je niets meer doen.
We moeten ook dikwijls stempelen, als er geen werk is.
Dat is niet leuk, dan ben ik alleen thuis en zit ik me te vervelen.
Over ’t laatst was het in Brussel staking van de beschutte werkplaats.
Wie gesyndiceerd is, kan dat.
Maar ik kan dat niet doen, ik ben niet gesyndiceerd, dan krijg ik geen geld.

Mijn mama

In augustus is mijn mama gestorven.
Ik heb haar doodsprentje altijd bij mij in mijn portefeuille.
Ik mis ze.
Het pakt mij.
Een goede moeder kan je niet vervangen.
Mijn vader is al lang geleden gestorven, in 1982.
Hij was ziek.
Mijn moeder was niet ziek.
Op het laatste wel, maar ik mocht het niet weten van mijn zus.
Ik zou er te veel mee inzitten.
Ik ga naar de kerk, alle herinneringen komen dan naar boven. De mensen zien het niet aan mij, maar ik heb verdriet. Na de mis ga ik wandelen in ’t stad en op een bankje zitten om eens goed na te denken. Dan kom ik terug naar ’t appartement.

Ik heb hier ook een ketting van mijn moeder: haar trouwring en die van mijn vader. Er staat in geschreven wanneer ze getrouwd zijn, mooi hé. Van mijn mama… Dat andere kettinkje is van carnaval en dit is een stier, dat ben ik, mijn sterrebeeld.

Rond de datum dat mijn moeder gestorven is, heb ik het moeilijk. De begeleiding begrijpt mij. Soms ga ik naar mijn mama. Ik bid dan en vertel tegen mijn mama.

Met mij is het nu de laatste tijd nog niet helemaal verbeterd. Nu is het van buiten beter dan van binnen. Mensen zien langs buiten niet dat ik nog denk aan mijn mama. Als ik een moeilijke periode heb, ga ik naar mijn kamer. Daar heb ik een plantje. Ik dat voor mijn mama en mij samen gekocht.

Dit is het bankje waar ik en mijn mama altijd zaten, als we gingen wandelen in de stad.

Mijn vrije tijd

De opvoedster zegt dat ik nu niet meer zo veel kan weggaan. Ik mag nog wel weggaan, maar niet gelijk vroeger met mijn mama. Ze zal mijn niet tegenhouden ze, maar ik moet het altijd vragen. Ze wil ook altijd weten waar ik ben. Ze is zeker ongerust. Pas op, ik woon daar wel graag, maar ik zit niet graag binnen. Ik loop graag rond in de stad. Iedereen kent mij hier. “Dag Marc”, zeggen ze. In het weekend loop ik vaak verloren. Ik weet niet wat ik moet doen. Altijd binnen blijven is niet leuk. Eigenlijk ga ik het liefst van al op stap. Vroeger ging ik altijd met mijn moeder overal naartoe.

Om de veertien dagen ga ik in het weekend bij mijn jongste zus slapen. Ze woont ook in Aalst. Ik heb ook nog twee oudere zussen. Als ik bij mijn zus ben, dan blijf ik daar. Ik kan niet gaan lopen hé.
Ik ga graag naar de zee. Mijn zus heeft een appartement aan zee, mijn mama bleef daar ook veel. Als ik naar de zee ga, denk ik soms meer aan mijn mama. Ik heb gevraagd aan mijn zus om een foto van mij en mijn mama op te hangen op het appartement aan de zee.
Ik kijk soms naar tv over de natuur. In de instelling is er ook een natuurclub om de 14 dagen. Na de natuurclub ga ik in elke leefgroep een bezoekje brengen. In de winter ga ik niet zo graag, want dan is het al vroeg donker. In de zomer is het beter, dan ben ik met de fiets en kan ik naar huis gaan, wanneer ik wil.
Één keer per maand ga ik naar Affligem naar de veiling van postzegels. Ik koop er geen. Het is gewoon om een keer buiten te zijn.

 

Ik kwam dikwijls iets drinken met mijn mama. Nu kom ik met mijn zus.

Accessibility